Tadzjikistan 

Ik ben op dit moment in Khorog. Het is vrijwel onmogelijk om op het internet te komen. Het uploaden van foto’s gaat helemaal niet. Daarom een verslag zonder plaatjes. ☹️

Van Dushanbe naar Qalai Khumb

Het eerste deel van de route naar de Pamir Highway voert naar het plaatsje Qalai Khumb op de grens met Afghanistan. Om daar te komen zijn er twee mogelijke routes. De zuidelijke route is het makkelijkst, de weg is verhard, maar daardoor ook druk met ander verkeer en heeft een lengte van 370 km. De noordelijke route is grotendeels onverhard, heeft een lengte van 280 km en er moet een pas van ruim 3200 meter hoogte worden bedwongen. Vrijwel alle fietsers kiezen voor deze variant. Omdat langs deze route vrijwel geen mogelijkheden zijn om eten in te slaan, ga ik eerst met Jamie, een Engelse fietser met wie ik de komende dagen optrek, inkopen doen in Dushanbe. De supermarkt die we bezoeken kan iedere vergelijking met supermarkten in West-Europa goed doorstaan en we slaan dan ook uitgebreid in met muesli, noodles, biscuit, tomatenketchup, pindakaas, een pot honing met noten, blikken sardines en jam. Mijn tassen puilen uit van deze enorme hoeveelheid voedsel.

In de loop van de middag van 19 augustus vertrekken we met een groepje van vijf fietsers op weg naar Qalai Khumb. De weg die we volgen is de M41 en is in de Sovjettijd aangelegd door de Russen en heeft vooral een strategische functie gezien de ligging langs de grens met Afghanistan. Het eerste deel heeft goed wegdek en we leggen die dag ruim 40 km af. We kamperen niet ver van de weg achter een paar kleine boerderijtjes. Al snel beginnen de kinderen vanaf een afstandje ‘Hello’ te roepen en even later krijgen we eten aangeboden van onze verschillende buren; een brood, pasteitjes, tomaten en appels. De volgende dag wordt de weg al snel minder en op een bepaald moment houdt het asfalt op en fietsen we over stoffige weg met veel stenen en kuilen. Bij iedere auto die passeert worden we getrakteerd op enorme stofwolken die ons het zicht volledig ontnemen en ons naar adem doen happen. We fietsen door een dal langs een rivier met links en rechts steile hellingen. De weg gaat eindeloos op en neer en we schieten niet erg op. Na het zoveelste politie checkpoint slaan we rechtsaf en kruisen de rivier over een hangbrug waar niet veel van over is. Van de kabels die oorspronkelijk het wegdek moesten dragen lijkt er nog slechts eentje te functioneren. We fietsen van dal naar dal en de riviertjes die we volgen worden steeds smaller. Enkele kilometers na Tavidara steken we de rivier nogmaals over en beginnen aan de klim naar de pas op 3252 meter. Het begin van deze beklimming is uitermate lastig met venijnige steile stukken gevolgd door korte afdalingen. De snelheid omhoog is net zo groot als die van de afdaling, vaak niet meer dan vijf km/u als gevolg van het slechte wegdek waarbij de fiets stuiterend van kuil naar kuil en steen naar steen gaat.
De pas
De groep is inmiddels een beetje uit elkaar gevallen en ik fiets samen met Tobias, een Duitse fietser, langzaam omhoog. Bij het gehucht Safedoron zetten we bij een politiepost onze tenten op; het is de laatste plek waar we water kunnen tappen. Inmiddels zitten we al op 2500 meter. De volgende ochtend beginnen we aan de laatste 700 meter klimmen tot de pas. De hoogte speelt me parten en het kost steeds meer moeite om de trappers rond te krijgen, maar na bijna 4 uur klimmen en bijna 13 km bereiken we het hoogste punt. Het uitzicht is overweldigend; in de verte kunnen we de besneeuwde toppen van de Pamir zien liggen. Op de pas worden we door een man uitgenodigd voor thee. In plaats daarvan krijgen we een soort broodsoep met stukken vlees. Inmiddels zijn nog twee fietsers gearriveerd en gevieren eten we uit een grote schaal die in ons midden op de vloer wordt gezet. Daarna begint de afdaling naar Qalai Khumb die veel tijd kost, wederom vanwege de slechte kwaliteit van het wegdek. De omgeving is daarentegen fantastisch en via eindeloze haarspeldbochten daal ik ruim 2000 meter over een afstand van 35 km.

De weg naar Khorog
In Qalai Khumb blijf ik een dag om kleren te wassen en me voor te bereiden op de 240 km naar Khorog. De weg ligt direct langs de grensrivier, de Panj, die Tadzjikistan scheidt van Afghanistan. Het contrast tussen beide landen is bijna niet te bevatten. Het voelt onwerkelijk aan om op slechts honderd meter afstand van een land te fietsen waar je niet in kan. Je kan het bijna aanraken en toch is het onbereikbaar. De Afghaanse dorpen liggen langs kleine zijriviertjes en lijken alle te bestaan uit huizen die zijn opgebouwd uit mudbricks en zijn omgeven door veel groen. Daardoor steken ze sterk af tegen de bruin/beige omgeving. Rondom de dorpjes liggen akkers, soms op zulke steile hellingen dat je je afvraagt hoe het mogelijk is om daar nog iets te kunnen verbouwen. Over de weg aan die aan de Afghaanse zijde ligt lopen mensen met takkenbossen of andere goederen. Soms rijden ze op ezels of een motor, maar auto’s zijn zeldzaam. Af en toe wordt er gezwaaid en dat geeft een bijzonder gevoel van verbondenheid.
Ziek
Ik fiets weer samen met Tobias maar op dag drie is hij zo ziek dat hij niet verder kan fietsen. Gelukkig verblijven we in een kleine homestay zodat er tenminste een bed en een wc is. Ik fiets alleen verder, maar als ik aan het einde van de middag mijn tent wil opzetten slaat het noodlot toe. Ik voel me opeens heel erg moe en heb geen kracht en energie meer. Ik krijg enorme maagkrampen en wordt overvallen door heftige diarree. De volgende ochtend als ik mijn tent afbreek en spullen inpak moet ik een aantal keren pauzeren omdat ik te ziek ben. Ik besluit de resterende 140 km naar Khorog te liften en duw mijn fiets terug naar de weg. Na twee uur krijg ik een lift achterop een vrachtauto van de neef van Pluk van de Petteflet. Op de laadruimte ligt een boorinstallatie om grondboringen mee te zetten voor het slaan van waterbronnen. Daartussen liggen allerlei goederen waaronder meloenen en druiven. Mijn fiets en bagage worden opgeladen en ik krijg een plek op een metalen standaard, in de cabine is geen plek. Ik houd me met moeite vast aan een stuk touw en na twee uur hobbelen en botsen stopt de vrachtauto in een dorp; we zijn halverwege Khorog, maar ik ben gesloopt en vraag of ze mijn spullen willen afladen. Ik zet mijn stoel in elkaar en ga in de schaduw van een paar bomen zitten om op adem te komen.
Een bewoner van het dorp nodigt me uit om in zijn huis bij te komen en ik wordt gastvrij ontvangen. De vrouw des huizes is een voormalige lerares Duits en regelt een verpleegster van het nabijgelegen zorgcentrum om me te onderzoeken. Ik krijg thee en slaap vrijwel de gehele middag op een van de kenmerkende bedden van deze regio. Ik voel me te zwak om onderdak voor de nacht te zoeken en vraag of ik mag blijven slapen. Na enige aarzeling wordt dit goed gevonden. De volgende ochtend zoek ik een taxi die me naar Khorog kan vervoeren. Dat lukt en ik arriveer in de Pamir Lodge waar ik weer veel bekenden tegenkom zoals de gebroeders Laclé en ook Tobias is daar inmiddels aangekomen.
Ziekenhuis
Bij de plaatselijke apotheek vraag ik om advies en er worden medicijnen voorgeschreven, maar ik twijfel of ik die moet nemen. Uit voorzorg ga ik daarom naar het lokale ziekenhuis. Ik neem een ‘gedeelde’ taxi naar het centrum en loop vervolgens naar het ziekenhuis. Inmiddels is het al donker en ik kan me moeilijk oriënteren. Bij het ziekenhuis aangekomen vraag ik een jonge bewaker in een uniform dat niet zou misstaan in een derderangs operette waar de ingang is, maar uit zijn blik maak ik op dat hij me niet begrijpt. Gelukkig komt iemand anders me te hulp en wijst naar een deur in een gebouwtje waar ik volgens hem moet zijn. Ik loop daarheen en op een bankje naast de deur zitten twee vrouwen. Ik vraag hen of ik daar moet wachten waarop zij bevestigend antwoorden. Ik ga zitten, maar vervolgens gebeurt er niets terwijl mijn klachten steeds heviger worden. Ik trek de stoute schoenen aan en klop op de deur en treed een ruimte in waar drie vrouwen mij vragend aankijken. Ik beeld uit wat mijn klachten zijn en zij vertellen me om naar ‘infecties’ te gaan. Ik heb inmiddels zulke heftige krampen dat ik niet meer kan lopen en moet bovendien overgeven. In allerijl wordt een zinken emmer voor me gehaald.
Een van de vrouwen pleegt een paar telefoontjes en even later wordt een Lada voorgereden die me naar ‘infecties’ moet brengen, naar later blijkt een gebouw honderd meter verderop. Ik ontmoet daar een arts die mij onderzoekt. De arts, een vrouw van ongeveer zestig jaar met wenkbrauwen van maskara en een hoeveelheid gouden tanden waar Fort Knox jaloers op zou zijn, spreekt helaas geen Engels en we proberen te communiceren in een mix van Russisch, Engels en Turks. Na iedere drie woorden vraagt ze: ‘Good?’. Ze beveelt me aan om een infuus te nemen. Na betaling van 20 sommoni (ongeveer twee euro) wordt een verpleegster naar de apotheek gestuurd om de spullen op te halen.
Ik wordt een kamertje ingeleid waarin twee bedden staan. Op een van de bedden ligt een man die wordt gesommeerd om op te staan en op het andere bed te gaan zitten. Het hoofdeinde wordt veranderd in voeteneinde door het kussen naar de andere kant te verplaatsen en ik moet gaan liggen. Ondertussen is een tweede man binnengekomen die eveneens op het overliggende bed gaat zitten. Er wordt een infuusstandaard binnengesleept en als de spullen zijn gearriveerd komt een verpleegster binnen die het infuus moet toedienen. De twee mannen, eveneens patiënten, waren inmiddels een soort broodsoep aan het eten, maar dat werd door de dokter niet gewaardeerd en dus moesten zij op de gang hun maaltijd vervolgen.
Met veel moeite wordt bij mij een ader gevonden om de naald in te prikken, maar zoals ik vaak heb moeten ervaren gaat dat veelal mis en na ongeveer een kwartier zit de naald niet meer in de ader en begint mijn elleboog op te zwellen. Ik roep een aantal keren ‘zuster!’ naar de gang en even later komt de verpleegster aangesneld om het infuus te stoppen en de naald te verwijderen. Ik moet me omdraaien, het hoofdeinde wordt weer voeteneinde en de naald wordt nu in mijn linkerarm geprikt. Zorgvuldig trekt de verpleegster het etiket van de infuusfles, zodat de plakzijde intact blijft. Met deze plakkers wordt de naald in mijn arm gefixeerd. Op non-verbale wijze wordt mij duidelijk gemaakt dat ik mijn arm niet mag bewegen omdat zij anders eigenhandig de arm van mijn romp zal trekken. Ik knik heftig dat ik daar alle begrip voor heb. Regelmatig komt de dokter binnen om goedkeurend naar het infuus te kijken en aan mij te vragen: ‘Good?’.
Na bijna twee uur is de fles leeg en mag ik weer opstaan zodat ik huiswaarts kan keren. Ik krijg nog een exit-gesprek, ‘good?’ en moet nog 20 sommoni betalen voor de behandeling. Het is inmiddels half elf ’s avonds en buiten is het stikdonker. Bijna op de tast zoek ik mijn weg naar de uitgang en probeer een taxi te vinden, maar de straten zijn uitgestorven. Gelukkig schiet de man die mij eerder hielp mij te hulp en hij vindt een auto die mij thuis wil brengen. In de auto zitten twee, stomdronken Tadzjiekse stellen die mij al slingerend in een walm van verschraald bier terug brengen naar mijn hostel.
Verder
Inmiddels ben ik een paar dagen verder. Ik slik een antibioticumkuur en voel me sinds vandaag een stuk beter. Ik ben niet de enige met darmklachten. Vrijwel alle fietsers die hier aankomen hebben problemen gehad. De meesten blijven een paar dagen om bij te komen voordat ze verder gaan richting Osh in Kirgizië en dat is ook mijn plan. De komende twee weken fiets ik door de Wakhanvallei en blijf de Panj-rivier volgen langs de grens met Afghanistan. De route is zwaar en voert langs hoge passen, vaak meer dan 4000 meter voordat opnieuw aansluiting met de M41 wordt gemaakt. Het kost me waarschijnlijk twee tot drie weken om dit stuk van zo’n 850 km af te leggen. 

Nabrander

Mijn visum voor China is toegekend! Helaas slechts voor dertig dagen. ☹️
 

12 gedachtes over “Tadzjikistan 

  1. fantastisch verhaal weer ,maar wel een met een happy end ,ik schreef al eerder op de OCP chat dat wij in Mexico ook een voedsel vergiftiging hadden op gelopen . Gelukkig is het weer beter met je en lukt het om binnen de tijd van dertig dagen China binnen te komen
    Groetjes vanuit een zonnig treviso Jozef & Elfriede

    Liked by 1 persoon

  2. hoi Everhard.
    om te beginnen alvast gefeliciteerd met je verjaardag. dat wordt vast gevierd op de meest bijzondere plaats ooit.
    verder ook weer dank voor je mooie verhaal en goed te lezen hoe jij je weer door de gebeurtenissen heenslaat.
    succes de komende weken en hopelijk wordt het vooral genieten van mooie uitzichten en boeiende ontmoetingen.

    groet, Tom

    Liked by 1 persoon

  3. Hoi Everhard,
    Wat een spannend verhaal, gelukkig gaat het weer beter. Je moet inmiddels wel een stalen conditie hebben. En stalen zenuwen, want dit heb je toch liever niet, zeker niet daar.
    Zit je nu in Talibanland, merk je iets van oorlogsdreiging? Je zit toch niet bepaald in een rustige hoek. Ik ga de atlas er weer bijnemen en kijk uit naar je plaatjes.
    Take care en een hele fijne verjaardag, ook namens Arnold! Neem een lekker biertje, ik trakteer!
    Xxx Marieke

    Liked by 1 persoon

  4. Wat een ontberingen af en toe maar oh wat bijzonder zo’n reis. Goed om te lezen dat het beter met je gaat.
    En natuurlijk van harte gefeliciteerd met je verjaardag! Veel succes en prachtige momenten gewenst op het volgende deel deze Pamir-route. Groet ook van Henk.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s